A wine blogger’s life: mijn vrouw is zich aan het inspelen in een parochiezaaltje hiernaast voor het lenteconcert van haar fanfare. Ik zit hier, in plaats van te genieten van de zon, in de auto met de laptop op de schoot wat te schrijven voor de Vlaamse wijnblogdagen. Voor me zie ik een kluitje bescheiden huizen, boerderijtjes van een klein dorpje helemaal in het Zuidoosten van Limburg, wat groene weiden en een hoopje koeien. Gelukkige koeien, denk ik. Met vijf in een uitgestrekte wei, lekker groen gras, pure lucht, … zou hun vlees lekker zijn? Zou het beter zijn? Want het is toch wel héél eerlijk vlees: geteeld met respect voor de natuur, voor de dieren zelf, voor de medemens … . Zou het echt lekkerder zijn?
Kwantipulatieve analyse.
’s Morgens, op de trein naar het werk, heb ik de keuze uit drie bezigheden als tijdverdrijf. In de meeste gevallen zit ik te lezen voor mijn werk, soms ruil ik die lectuur in voor wat gestruin door boemelkrant Metro en af en toe zit ik ook gewoon maar wat slaperig voor me uit te mijmeren, bestudeer ik mijn vrouw – die meestal dezelfde trein neemt – of laat ik mijn blik gedachteloos verdwalen in het voorbij zoevende landschap. Enkele dagen geleden had ik de krant nog eens vast en ik moet zeggen dat kan best meevallen, die Metro. Ik vind hem soms zelfs beter als de toonaangevende Morgen, De Standaard die zichzelf uitroept tot dé standaard of Het Laatste Nieuws dat minstens het laatste van de laatste sensatie moet brengen. Korte verslaggeving, geen overbodige duiding, geen vermomd ideologische nepkritiek, gewoon de feiten in een meestal zeer aangenaam leesbare vorm gegoten.
Bij het doorbladeren van het krantje bleven mijn ogen haken aan de kop ‘Een op drie Belgen koopt geregeld fairtrade’. Hm, mooi, de wereld lijkt nog even niet te vergaan. We consumeren toch precies wat bedachtzamer dan het zo op het eerste gezicht lijkt. Ik word altijd prettig van het lezen van zulke krantenkoppen. Maken je dag meteen beregoed. Er is toch nog iets waar wij Belgen trots op kunnen zijn, want, zo wijst een studie van C-Change uit, het is “overduidelijk dat het Belgische koopgedrag langzaam verandert. Net geen 60% van de Belgen geeft aan minder en/of anders te kopen, terwijl evenveel landgenoten een product links laten liggen als ze het gevoel hebben dat het geen respect heeft voor mens, milieu of samenleving.”1 Wij Belgen vinden dus dat we niet alleen respect voor de mens en het milieu in het algemeen moeten hebben, zo blijkt, maar ook voor de medemens, de samenleving. Ik weet niet hoe het met u zit, maar aan dat laatste twijfel ik toch wat. Wat de rest betreft: hartstikke geweldig! Houden zo, denk ik dan.
Alhoewel … er is nog wat anders waar ik zo aan twijfel: de betrouwbaarheid van zulke studies, in casu degene die hier bewijzen wil dat wij Belgen plotseling toch wel heel wat duurzamer luitjes geworden zijn. Ik ben namelijk zo een mens die aan een leuk artikeltje alleen niet genoeg heeft, en dan maar her en der het één en ander gaat uitpluizen. Onderaan het overigens weer zeer lekker geschreven stukje staat een link naar het studiebureau dat het onderzoek uitvoerde: C-Change. Daar moest ik toch eens even heen. En, wat blijkt, ja … het is een zo ongeveer een marketingbureau dat peilt naar consumentengedrag binnen het duurzame productsegment van de markt en daarmee bedrijven die duurzame producten op de markt brengen een stapje vooruit wil helpen. Dat gebeurt volgens de website met tutorials, op maat gesneden analyses, test-casestudies op het eigen personeel van zo’n bedrijf, allerhande vormen van consultancy en ja, hoe kan het ook anders, allemaal heel betrouwbare studies. Zeer degelijk uitgevoerde en betrouwbare statistische analyses vormen de kern van zulke studies, zo blijkt, en hoe betrouwbaar die wel zijn valt onder meer af te leiden uit het feit dat die statistische analyses niet alleen met een volledig zelf ontworpen en dus bijzonder betrouwbaar systeem worden uitgevoerd, maar ook nog eens gesuperviseerd worden door prof. dr. x van de universiteit van Gent. Een zegel van betrouwbaarheid is dat. Je zou toch bijna wantrouwig worden van al die betrouwbaarheid, niet?
Het is altijd handig om wat context te verzamelen rond bijzonder betrouwbaar en objectief gepresenteerde cijfers. Zo absoluut blijken die bevindingen helemaal niet, en objectief zijn ze in zekere zin al helemaal niet. Want ja, als je jezelf verkoopt als consultancy- aka marketing- aka studiebureau voor de handel en de marketing van duurzame producten zou het nogal absurd zijn jezelf in de vingers te snijden door aan te tonen dat duurzaam ontwikkelde, of fairtrade-producten niet echt van de straat geraken, toch? Als we cijfertjes zien vergeten we maar al te graag dat die cijfertjes maar fungeren binnen een context en, meer nog, dat die steeds moeten geïnterpreteerd worden. En ja, dat kan op velerlei manieren. Voor de manier waarop ze in het bovenstaande onderzoek gebruikt en verklaard worden, heeft mijn vrouw ooit eens een leuk woord uitgevonden: wij noemen het de kwantipulatieve analyse. Wat allemaal zo objectief en betrouwbaar lijkt – het heilige getal, weet u wel – heeft in een context als deze toch nogal wat discursieve en retorische ingrepen ondergaan zodat het als een onomstotelijke en universele waarheid kan gepresenteerd worden aan het publiek.
Eerlijke koffie.
Jaja, ik ben zo'n betere Belg, want ik koop Ecover.
U toch ook?
Maar kom, ik wil hier absoluut geen kritiek gaan uiten op een ongetwijfeld onwaarschijnlijk degelijk uitgevoerd onderzoek. Met die eigen methode zit het vast wel snor en prof. dr. x is vast een krak in zijn vak. Wie zou ik ook zijn om dat mechaniekje eens uiteen te gaan vijzen en hier en daar een stinkbommetje te droppen? Buiten dat gefoefel met punten, eindeloze streepjes en allerlei figuren in de ruimte – ik dacht dat men dat goniometrie noemde – ben ik nooit echt een bolleboos geweest met cijfers en getalletjes. Waar het me wel om gaat is dat dit, zoals ik boven al beschreef, als een objectieve en absolute waarheid gepresenteerd wordt, en dat er zo nogal vlotjes aan de betekenis en functie van begrippen als ‘fairtrade’ en ‘duurzaamheid’ voorbijgegaan wordt. Want, ik weet niet hoe dat met u zit, maar als ik zo’n enquête in mijn handen geduwd krijg, dan ben ik ook echt een mens die ontzettend veel fairtrade van de winkel naar huis sleurt … . En u bent dat vast ook.
Wat ik bedoel is dat het fairtrade- en duurzaamheidsverhaal voor een groot gedeelte op ons ethos inspeelt. Man, man, daar begint’ie weer met z’n moeilijke woorden. Niks moeilijk aan. Ik wil er alleen maar mee zeggen dat wanneer we fairtrade kopen - of beweren fairtrade te kopen - we ‘goed’ zijn. We voelen ons daar ‘beter’ bij, toch? En als we ernaar gevraagd worden, dan gaan we dikwijls wat overdrijven, want we horen toch allemaal graag bij die mensen die de boompjes, de bloempjes en de beestjes, maar zeker ook de negertjes aan de andere kant van de wereld geen kwaad willen doen. Als we ‘fairtrade’ kopen, of beweren dat te kopen, horen we bij die selecte groep ‘goede’ mensen en mogen we ons moreel superieur achten. En goed dat dat kan doen … .
Wel, er is ooit zo’n verdorven auteur geweest, een Oscar die met een glas Champagne in de hand zijn laatste adem uitblies in een Parijse goot – daarom alleen al geniet hij mijn respect – en die het niet zo begrepen had op morele superioriteit of collectieve moraal. In The picture of Dorian Gray, Oscars enige roman, laat hij een personage een lekker recalcitrante wijsheid verkondigen die helemaal past in dat verachten van een collectieve moraal: “There is no such thing as a moral or an immoral book. Books are well written, or badly written. That is all.”2 Hetzelfde kan je voor mijn part zeggen over heel wat van die duurzame of fairtrade-producten. Is fairtrade goed omdat het moreel hoogstaand is? Nee, fairtrade vinden wij goed, omdat wij ons er niet slecht bij hoeven te voelen. Zo eenvoudig is dat. “De Belgen zijn meer en meer uit op een eerlijk kopje koffie”, zo wordt er in het Metro-artikel gesteld. Eerlijk ja, maar ‘eerlijke koffie’, wat betekent dat eigenlijk? Is dat dan een koffie die vanuit je kopje roept: “Hallo, ik ben koffie” en niet “Hallo ik ben thee”? Tja, zo’n leugenachtige koffie zou ik ook niet willen drinken, dat spreekt. Alle gekheid op een stokje … maar zeg nu zelf: zijn wij eerlijk als consument en probeert de producent zich ook een eerlijk imago aan te meten of is de koffie zelf eerlijk?
Oscar Wilde: dandy, poet, esquire of decadence
Natuurlijk wil ik daarmee helemaal niet zeggen dat duurzame ontwikkeling belachelijk is. Nee! Maar ik wil er wel mee zeggen dat het in heel dit duurzaamheidsdiscours meer over consument, producent en productie gaat dan over het product zelf. Daar gaan we dikwijls wel eens aan voorbij. Dat betekent dus ook dat het niet zo is dat fairtrade-producten dan ook meteen qua kwaliteit maar beter zijn dan niet duurzame producten, want dat hoor je maar al te vaak beweren. Het is niet omdat iets eerlijk is, dat het lekker is. En daar wringt voor mij nu net het schoentje, want ik drink liever een goed kopje koffie, dan een eerlijk kopje koffie. Excuseer, mijn lieve collega’s, maar die fairtrade-koffie en -thee die jullie graag in onze koffiekamer gaan tanken tijdens een drukke werkdag … nee, dat is echt niet te zuipen. Ze kunnen beide dan nog zo duurzaam zijn, het zijn gewoon slechte producten. Jullie thee smaakt naar kunstmatige aroma’s en is overduidelijk aangezoet, jullie koffie is een aftreksel van koffiepeulen en onrijpe koffiebonen. Niet te drinken dus. Als ik dan toch voor duurzaam, fairtrade, bio en wat weet ik al moet gaan, geef mij dan maar de koffie van Le Pain Quotidien: bio, niet waanzinnig lekker, maar wel goed. We vergeten wel eens dat ook fairtrade-producten best op hun kwaliteit mogen beoordeeld worden.
400 additieven.
Hetzelfde liedje geldt voor organische, biologische, biodynamische, enz. wijnen. Je kan geen wijnhandel meer binnenstappen of de bio-flessen vliegen rond je hoofd. Als je wat uitleg vraagt, begint de handelaar meestal meteen over het toch zo milieuvriendelijke karakter van het wijngaardwerk. En als je een glas ingeschonken krijgt, gaat het meteen van: “Je proeft dat hè meneer, een eerlijk product.” Grrrrrrrr. Deze wijn ruikt naar dat paar oude sokken dat ik bij onze laatste verhuis helemaal in het midden onder het bed terugvond en hij smaakt alsof er hier een paard in de gang staat. Man, man, ik word er hoe langer hoe kwader van: al dat oeverloos marketinggelul. Nee, meneer de wijnslijter, mag ik even zo eerlijk zijn als uw eerlijk product? Dit is gewoon stinkend goedje van een oneerlijke wijnboer die er niets van bakt, maar ergens het belletje van de duurzame producten heeft horen rinkelen en zo zijn walgelijk brouwsel toch van klandizie weet te voorzien.
Natuu rlijk, wijn zou wijn niet zijn, als het niet wat ingewikkelder dan ingewikkeld kon. Ondertussen spreek je niet alleen over bio-wijnen, maar ook organische en bio-dynamische wijnen zijn troef. Er is zelfs een nieuwe categorie op de markt die ondertussen lekker gehypet wordt: de natuurlijke wijnen. Eerlijk is eerlijk, het zullen allemaal wel eerlijke producten zijn, want dat staat op het etiket. Meer nog, om te bewijzen dat het eerlijke producten zijn vind je op die etiketten zelfs dikwijls zegels van normerende instanties als Demeter, Ecocert of Agriculture Biologique. Als die erop staan, kan het helemaal niet mis gaan, zo redeneert de consument dikwijls, want er staat een mooi zegeltje op. Voor mij doet dat allemaal een beetje Middeleeuws aan: de heraldische zegels, je weet wel die mooie rode lakdingen aan een lintje die aan een pauselijk of ander adelijk schrijfsel hingen te flappen, moesten de authenticiteit van een oorkonde bewijzen. Maar ja, het zou mooi geweest zijn werden ze in die tijd niet meer dan eens duchtig vervalst ... .
De zegeltjes op het rugetiket van een wijnfles zijn natuurlijk niet vervalst, er zal slechts heel zelden mee geknoeid worden, maar de vlieger gaat weer niet op dat wijnen waarop je zo’n zegeltje vindt, dan meteen maar beter zijn als de wijnen waar je dat zegeltje niet op vindt. Trouwens, die hele resem categorieën duurzame wijn worden niet alleen omschreven door zulke regulerende instanties als Ecocert, maar ze zijn dikwijls gebonden aan een hele reeks wetten en voorschriften opgesteld en bijeengeharkt door onze zo zorgzame Europarlementariërs in honderden bladzijden tellende, bijzonder saaie boeken. Mocht u echt van de slaappillen af willen, lees dan elke avond tien bladzijden van zo’n regeltegel. Ik verzeker u: slapen zal u. Maar goed, alles wat mag en niet mag in de productie van biologische wijn bijvoorbeeld, staat netjes opgelijst in die dikke turven. Een wijnboer die die boeken op zijn nachttafeltje heeft liggen en zich braafjes aan die regels houdt, mag als beloning op zijn wijnflessen zetten dat het goedje dat erin zit biologisch geproduceerd is.
Betekent dat dan meteen dat hij een eerlijk product maakt? Ja, volgens de producent, handelaar en consument dikwijls wel, want het is met respect gemaakt voor Prik de cactus, Jef de zeepier en Jan-Piet-Snot van achter de hoek … . Maar is wat in het glas zit ook eerlijk? Is het wijn die zegt: “Hallo, ik ben een wijn recht uit de wijngaard?” Nee, verre van zelfs. Neem nu bijvoorbeeld die biologische wijnen, daar mogen zomaar liefst 400 - ik herhaal - 400, additieven aan toegevoegd worden om dat sap uit de wijngaard toch maar min of meer netjes te krijgen. Tja, daar sta je dan met je eerlijk glas in de hand. Eerlijk gezegd: santé, maar ik drink niet mee.
Niets is wat het is.
Ja, dan is daar nog die categorie natuurlijke wijnen. Lekker gehypet tegenwoordig. Als je bij de echte kenners wil horen, ligt je kelder er minstens halfvol van en jeremieer je overal dat je die andere flessen in je kelder niet meer te drinken vindt. Ik doe dat ook. En tegelijkertijd denk ik: man, wat voor onzin ben je nu weer aan het uitkramen? Want ja, als ik eerlijk moet zijn, ik drink zeker nog wel eens conventioneel gemaakte wijn. En me ervoor schamen doe ik niet. Die morele reflex heb ik gelukkig niet ontwikkeld.Maar even serieus nu. Die natuurlijke wijnen, wat is daar nu van aan? Wel, ‘natuurlijk’ zou in principe moeten betekenen dat men probeert zo goed mogelijk te werken in wijngaard en kelder, zo respectvol mogelijk, zonder zich vast te klampen aan regels en voorschriften. Individuele verantwoordelijkheid ten opzichte van natuurlijke rijkdommen en respectvolle omgang ermee zijn kernbegrippen voor de handel en wandel van de natuurlijke wijnboer. Voor hen zijn er geen axioma’s in de wijnbouw. Er zijn geen ‘van je moetens, omdat het zo is’ met andere woorden. Dat maakt het voor de boeren zelf natuurlijk wel een klad moeilijker, want er zijn geen voorgeschreven regels: elke oogst wordt apart getaxeerd en zoveel mogelijk vanuit zichzelf gevinifieerd met de middelen die die oogst zelf biedt. Van additieven en dergelijke is dus praktisch geen sprake. Additieven worden door deze boeren immers niet gezien als een noodzakelijk kwaad, of een hulpmiddel waarzonder goede wijn maken niet kan. Additieven zijn de allerlaatste toevlucht en blijven daarom ook absoluut beperkt tot bijvoorbeeld een minimaal beetje toegevoegde sulfiet in de fles.
Dat is allemaal heel mooi, zal u zeggen, maar zijn deze wijnen dan ‘eerlijk’ en dus beter? “Beneenie”, zou ik zo direct zeggen. Maar misschien ga ik daarmee wat te ver: ‘eerlijk’ in de zin van een ‘oprecht’ product dat niet meer pleegt te zijn dan het is? Misschien wel. Natuurlijke wijn is gemaakt van druiven, point final. Dat heeft natuurlijk als gevolg dat natuurlijke wijnen heel erg kunnen verschillen van millésime tot millésime, van perceel tot perceel, vat tot vat, fles tot fles, enz. Ze zijn met andere woorden moeilijk beteugelbaar, niet goed in regels te gieten, omdat in de eerste plaats hun productie al voor elke wijn uniek is. Conventioneel zijn ze dus van nature niet, beregelbaar en kwantificeerbaar bijgevolg al helemaal niet. Of de wijnboeren zelf dan eerlijk zouden zijn, is nog heel wat anders. Tussen de natuurlijke wijnboeren zitten evenveel knoeiers en foefelaars als er onder de conventionele wijnboeren zijn, wees daar maar gerust in. Dus ‘eerlijk’ is dat product op die manier absoluut niet altijd.
“Aaaaaaaaaaaaargh,” zal u nu misschien uitroepen, “waar kan ik dan nog wel op vertrouwen? Is nu niets nog wat het is, of laat uitschijnen te zijn?” Laat me u meteen helemaal in de crisis storten: nee, niets is wat het is en niets is wat het presenteert te zijn. Kom, ik badineer natuurlijk maar wat, alhoewel ik ergens toch ook meen wat ik zeg. Eén van de grote merites van natuurlijke wijn is voor mij alleszins dat het wijnen zijn die zich moedwillig buiten het in de wijnwereld vigerende discours, buiten de algemeen geaccepteerde praktijken, enz. plaatsen. Daarmee maken ze niet noodzakelijk betere of eerlijkere wijn, maar ze doen ons wel nadenken over wat we allemaal als zo vanzelfsprekend beschouwen wanneer we het over wijn hebben. Ze leggen met andere woorden al de vooronderstellingen bloot waarmee we wijn bejegenen en naar waarde schatten. En dat is een goede zaak, want niets is zo leerrijk als je eens degelijk te bezinnen over wat je altijd als zo vanzelfsprekend beschouwd hebt. Eén van de dingen die ik er alleszins uit geleerd heb, is dat er niet zoiets bestaat als ‘eerlijke’ of ‘moreel hoogstaande’ wijn. Er is alleen goede gemaakte wijn en slecht gemaakte wijn. Of, meer nog, er is alleen lekkere en onlekkere wijn. Het toeval wil nu wel dat natuurlijke wijnen dikwijls lekkere wijnen zijn. Waarom? Ah, heel simpel, omdat, wanneer je een goede natuurlijke wijn wil maken, je ontzettend meticuleus en verstandig tewerk moet gaan. Er zijn namelijk geen hulpmiddeltjes en ezelsbruggetjes die je zullen helpen om gepruts en fouten recht te trekken.
Lekker.
Laat me eindigen met een kleine anekdote: enkele weken geleden stak ik voor een groep mensen een proeverij in elkaar. Een proeverij over Siciliaanse wijnen voor een gemengd publiek: echte wijnliefhebbers, kenners zelfs, mensen die graag een glas drinken en mensen die het idee van een wijnproeverij wel eens leuk vonden. Een tof publiek dus, want er was uitdaging aan. Ik gebruikte ook een extra insteek: ik zette natuurlijke en conventionele wijnen door elkaar. In een uitleg vooraf vertelde ik wat over de wijnbouwgeschiedenis van Sicilië, de belangrijkste druivenrassen en appellaties en ik legde het verschil uit tussen conventionele, lutte raisonnée-, organische, biologische, biodynamische en natuurlijke wijnen. Zo wisten de mensen toch een beetje waar ik tijdens het proeven zelf over zou praten. Ik vertelde echter nooit wat over een wijn voor ik hem liet rondgaan. Ik wilde de mensen immers niet beïnvloeden bij het besnuffelen en begorgelen van het gefermenteerd druivensap in kwestie.
Net toen het te laat was, kreeg ik in de gaten dat ik een fout gemaakt had in de opstelling van de proeverij. De eerste natuurlijke wijn in de reeks was een heel extreem geval: Lamoresca bianco 2009, een oxidatief gemaakte witte wijn, met schilmaceratie en vinficatie in oude vaten. Niet meteen een doetje en qua uitzicht al niet direct als ‘normaal’ te bestempelen. Ik zag aan de andere kant van het lokaal de wenkbrauwen van het groepje wijnkenners al in de hoogte gaan. "Ai", dacht ik, "big mistake". Maar wat verderop was een meisje, dat het idee van een wijnproeverij wel eens leuk vond, ook druk het glas aan het besnuffelen. Plots nam ze met volle overtuiging een slok. Ik vreesde al een van pijn en smart vertrokken gezicht te zien verschijnen in de eerstvolgende vijf seconden, maar neen, ze slikte de teug gretig door en liet er heel spontaan, en tot naar haar eigen verbazing wat te luid, op volgen: “Man, dat is lekker.” Aan de andere kant van het lokaal gingen de wenkbrauwen weer omlaag en werd er opnieuw druk besnuffeld en gewalst. Er steeg na een tijdje toch wel wat goedkeurend gebrom op.
Oef, een zucht van opluchting. Maar het had anderzijds wel gewerkt: ik had de proevers eerst ingeprent zonder vodden in hun kop te proeven. Dat wil zeggen: zonder dat wat ze allemaal al wisten over wijn. Proef niet met je ogen en je kop, wel met je neus en je tong. De trend was voor de rest van de proeverij gezet. Aan het eind van de avond werd er nog net niet gevochten om de restjes van de natuurlijke wijnen ... .
Voor mij was dit de proef op de som dat wijn gewoon goed gemaakt moet zijn en dat al dat andere gepalaver, al die does en don’ts, al die regelneverij tot niets dient dan alleen jezelf, je kennis en vooral je eigen ego op te hemelen. Dat staat gewoon haaks op het genieten van een goed glas. Er is alleen lekkere en onlekkere wijn, geen morele en immorele wijn, geen eerlijke en oneerlijke wijn. Klaar!
Deze post is een bijdrage aan de Vlaamse Wijnblogdagen, een initiatief waaraan verschillende Vlaamse wijn- en foodblogs deelnemen. Neem bij de andere deelnemers gerust eens een kijkje voor een andere visie op dit onderwerp. Je vindt ze netjes opgelijst, hier, om het hoekje, bovenaan rechts.
1 Metro, 31.10.2011.
2 Wilde, Oscar, "Preface", in: The Picture of Dorian Gray. e-Source: <Up>word.
Tot voor een tiental jaar terug was er bij hoge uitzondering slechts één wijn die aanspraak mocht maken op het plaatsje naast de klassieke wildschotel tijdens het kerstdiner. Een fles die steevast uit de goed gevulde kelder kwam van nonkel pastoor. Een wijn die al even steevast afkomstig was uit een streek waarvan de status minstens even sacraal was als de bewaker van voornoemde kelder.
Pure nostalgie, bedenk ik terwijl ik de bovenstaande paragraaf neerschrijf. Het aura rondom
Na de exorbitante prijsstijgingen van 2000 en 2005 werd die evolutie bestendigd: de cru classés werden de absolute top van het wijnaanbod, de gewone wijnliefhebber moest zich maar tevreden stellen met de generieke wijnen. Elk château dat tussen deze twee stoelen in viel, zag zich genoodzaakt ofwel sterk te investeren in een image revamp en een betere zichtbaarheid op de markt, ofwel overstag te gaan voor de productie van goedkope bulkwijn. Als je de wijnrekken in de supermarkt of het aanbod van een doorsnee wijnimporteur bekijkt, is deze evolutie duidelijk merkbaar: onbekende châteaunamen aan prijzen tussen de € 8 à € 15 vind je wel, maar het is een minderheid in het aanbod. Blijkbaar ligt dit type wijnen niet echt goed in de markt. Daar komt nog eens bij dat het verjongde wijndrinkende publiek andere smaakeisen stelt aan de wijn die in het glas komt op party’s, kotfeestjes of weekenduitstapjes. Die wijn moet jong en fruitig (dikwijls zelfs wat zoetig) zijn. De kruidige, soms zelfs ronduit vegetale en droge wijnen uit
Het probleem lijkt hem dus eerder dichter aan de basis te liggen: de grote massa 
Laatste reacties